
Een basisinkomen gaat helemaal niet over geld. Het gaat eigenlijk in de kern niet eens over het onvoorwaardelijk voorzien van onze basisbehoeften als schone lucht, gezond voedsel, schoon water, een stabiel klimaat en beschutting. Waar het volgens mij in de kern om gaat, is het recht om te leven. Het zegt eigenlijk dat ieder mens of wezen er mag zijn. Dat ze gezien worden en dat ze hier mogen zijn, mogen leven. Onvoorwaardelijk. Dat we allemaal gelijkwaardig zijn. Allemaal het recht hebben om te leven. Niet alleen het recht hebben, maar dat wij allemaal samen, het elkaar waard vinden. Het is denk ik gewoon in de basis: ik zie jou; ik ben, jij bent, wij zijn; jij mag er zijn dus mag ik er zijn. Dat laatste is cruciaal. Pas als ik van een ander en eenieder kan zeggen “jij mag er onvoorwaardelijk zijn” dan kan ik ook tegen mezelf zeggen dat ik hier onvoorwaardelijk mag zijn. Als ik van een ander vind dat ze wel iets moeten doen of aan bepaalde normen en waarden moeten voldoen voordat ze recht hebben op een basisinkomen, dan leg ik ook mezelf beperkingen op. Dan moet ik zelf ook aan die voorwaarden voldoen voordat ik er van mezelf gewoon mag zijn.
Ik ben, jij bent, wij zijn, het allemaal waard om dit leven onvoorwaardelijk te leiden. Niet te lijden.
Wat een ruimte zou dat geven als wij onszelf en elkaar niets meer opleggen. Als we er allemaal gewoon mogen zijn. Wat zou er in die ruimte ontstaan? Wat zouden mensen gaan doen? Wat zou ik gaan doen? Niets? Of juist alles? Misschien is die onvoorwaardelijke vrijheid om er te zijn, wel de brandstof om te gaan doen wat we echt belangrijk vinden, wat ons hart ons ingeeft en wat deze wereld nodig heeft.

