
Op een nazomerse ochtend zwerft hij door het bos dat het dorp omringt. Hij is op pad om de eerste kastanjes te zoeken om vanmiddag te roosteren. Tot nu toe vond hij alleen de wilde variant die niet eetbaar is. Hij heeft er zijn broekzakken toch maar mee gevuld zodat zijn zusje er poppetjes van kan maken. Langs het pad valt zijn oog op een gigantische hoop, die lijkt te leven. Als hij dichterbij komt, ziet hij dat het honderden, zo niet duizenden mieren zijn die over de hoop krioelen.
Mieren zijn echt miraculeuze wezentjes. Iemand uit het dorp vertelde hem laatst dat er naar schatting wel 20 biljard mieren op aarde zijn, die ieder 10 tot 50 keer hun lichaamsgewicht kunnen dragen, alsof wij een auto boven ons hoofd zouden tillen. Al die mieren samen zouden in theorie alle volwassen mensen op aarde kunnen dragen en min. 20.000 Eiffeltorens optillen. Bizar. Sindsdien heeft hij al 3 boeken over mieren heeft gelezen.
Hoe zou het zijn als wij als mieren zouden leven? Terwijl hij naar de hoop kijkt, probeert hij het zich voor te stellen.
Je zou een stad binnenlopen die niet op het aardoppervlak gebouwd is, maar kilometers diep onder de grond. Alsof je de Eiffeltoren pakt en hem niet omhoog maar omlaag de aarde in laat zakken en dat niet één keer, maar meerdere keren op elkaar gestapeld. In die kilometers diepe megastad vind je duizenden kamers, allemaal verbonden door gangen die zich eindeloos vertakken als een enorm metronetwerk. Er zouden magazijnen zijn vol graan en fruit, warme kinderkamers waar nieuw leven groeit en drukke verkeerskruispunten. Een slim ventilatiesysteem laat overal frisse lucht doorheen waaien, zonder dat er ook maar één airco of elektriciteit aan te pas komt.
De inwoners zouden superkrachten hebben. Je zou iemand de hoek om zien lopen die moeiteloos een auto boven zijn hoofd tilt, alsof het niets weegt. Een paar mensen tillen een vrachtwagen boven hun hoofd, een ander een treinwagon. Iedereen loopt ermee weg alsof het boodschappentassen zijn. Een groepje vrienden verplaatst even een vliegtuig. Niemand zou nog verbaasd opkijken, die kracht is gewoon normaal. Samen zouden ze een hele berg of complete steden kunnen optillen en verplaatsen.
Kracht en bouwkunst zijn eigenlijk nog maar het begin, de samenwerking is pas echt bijzonder. Want deze miljoenen steden zouden niet bestuurd worden door regeringen of bedrijven, maar de mensen zouden allemaal samen, zonder woorden, als één organisme functioneren. Geen enkele persoon weet alles en er is geen leider, maar samen ontstaat er een soort superbrein dat wegen aanlegt, voedsel verdeelt en problemen oplost. Geen chaos maar harmonie, doordat iedereen één klein stukje doet. Zo kunnen ze ook als leger functioneren om hun stad te beschermen, met soldaten, aanvalsgolven en een strategie. Wederom zonder leider.
Naast het verzamelen van voedsel doen sommige mieren ook al miljoenen jaren aan landbouw. Bladsnijdermieren snijden bladeren in stukjes, dragen die naar hun nest en gebruiken ze om schimmels te kweken die hun hoofdvoedsel vormen. Ze werken soms ook samen met andere dieren. In het echt doen mieren dat met bladluizen: zij melken de bladluizen voor hun zoete honingdauw, en in ruil daarvoor beschermen ze de bladluizen tegen vijanden. Sommige mierensoorten brengen de bladluizen in de winter naar warme kamers, zodat ze de kou overleven en in de lente weer hun suikerrijke druppels kunnen leveren. Sinds hij dit heeft gelezen, heeft hij al vaak geprobeerd het met eigen ogen te zien. Tot nu toe is het hem nog niet gelukt, maar hij heeft goede hoop dat het in het voorjaar wel gaat lukken. Zijn plan is om dan vooral bij de rozen en fruitbomen te kijken, waar veel bladluizen zitten. Hij heeft gelezen dat je ze kunt zien “tikken” met hun voelsprieten of pootjes op de achterlijfjes van bladluizen, waarna er een druppeltje honingdauw zou verschijnen.
Hoe kan het dat dit gewoon allemaal onder zijn voeten gebeurt en hij er tot nu toe zomaar aan voorbij gelopen is?

