
Fragment geschreven vanuit een kind dat in een toekomstige gemeenschap leeft.
Bijna al ons eten komt uit de bomen, struiken en planten rond ons dorp. Tegen onze gevel groeit een bramenstruik waar zomers zoveel bramen aan hebben dat ik wel 4 emmers kan plukken. Wanneer hij helemaal vol hangt, komen er iedere dag buren langs met een bakje om wat bramen te plukken. Zelfs met al dat gesnoep blijft er nog genoeg over waar mama jam van kan maken voor in de winter. We hebben ook veel kruidenplantjes rond ons huis staan: tijm, rozemarijn, lavas en citroenmelisse zijn zijn favorieten. Een goede vriendin van mama heeft eens een verre reis gemaakt en zaadjes voor ons meegenomen van een kruid dat we nog niet kenden. Mama was er heel blij mee! Ze heeft ze voor het raam staan in een potje en het smaakt een beetje naar munt maar toch heel anders. Shiso heet het. We mochten het niet in de tuin planten van mama, want ze wist niet hoe de samenwerking met de andere plantjes en de dieren zou zijn. We zullen dat eens vragen aan Nicolien, zij weet alles van planten.
De buurvrouw heeft niet zoveel kruiden rond haar huis staan, maar vooral veel bloemen. Soms als ze bezig is in haar tuin, wenkt ze me dichterbij. We kijken dan samen naar de mooie vormen van de bloemen. Ze zijn zo verschillend en zó mooi! De juffertjes-in-het-groen doen me aan insecten denken met al die voelsprieten die er uitsteken. De zinnia’s zijn haar favoriet omdat ze zo’n felle kleuren en verschillende vormen hebben. Bij sommigen lijkt het alsof ze nog een extra cirkel van ieniemienie gele bloemetjes hebben rondom hun kern, waaromheen de grote rode of roze blaadjes naar buiten steken. De meeste bloemen rond haar huis zijn ook eetbaar. De smaken zijn heel verschillend, pinksterbloemen smaken naar mosterd en als je de zaadjes van de weegbree even bakt dan smaken ze naar hazelnoot. Heel lekker.
Rondom de huizen en tuinen ligt een heel groot bos dat we de voedselkring noemen. Er staan niet alleen bomen, ook veel struiken en planten. Verscholen tussen de bomen staat een oude schuur waar we al ons gereedschap bewaren en op een open plek wat meer richting het Westen staat een grote kas waar we de zaailingen kweken en wat extra groenten voor in de winter. In de voedselkring staan ook vijf kippenhokken, maar daar zijn ze niet zo vaak omdat ze steeds op andere stukken buiten rondlopen. Er wonen ook een paar koeien, geiten, paarden, schapen en varkens, die zijn altijd wel met Ernst en Johan mee op pad door het bos. Op het eerste oog lijkt de hele voedselcirkel wel een ratjetoe van verschillende soorten begroeiing, maar de experts uit ons dorpen (zoals Nicolien) weten precies wat er staat en op welke manier het bijdraagt aan de omgeving. Sommigen zijn voedselbronnen voor ons, of juist aantrekkelijkheid voor bijen. Soms fungeren ze als windkering, groenbemesting of ze bieden weerstand tegen schimmels en zorgen voor afstoting van luizen. Ieder onderdeel draagt op zijn eigen manier bij aan het geheel.
De meeste van ons werken hier zo’n vier uur per week. Degenen met groene vingers wat meer, anderen wiens talenten duidelijk elders liggen wat minder. Oma vertelde me eens dat vroeger de meeste mensen zich nooit bezig hielden met het ondersteunen van het ecosysteem waaruit ze aten. Dat maar een heel klein deel van de mensen al het eten verbouwde en de rest hooguit een courgette- of tomatenplant in de tuin had voor het plezier, maar dat vrijwel iedereen hun eten zomaar in de winkel kocht. Ik vroeg haar wat ze dan deden met alle tijd die ze over hadden, als ze niet iedere week hoefden te mulchen, snoeien of oogsten. Oma lachten daar hartelijk om. “Ach jongen toch, je moest eens weten!” “Tijd over..” grinnikte ze. Ik snapte niet waarom dat zo grappig was. “Lieverd, de mensen vroeger hadden nergens tijd voor. Ze leefden in een wereld van schaarste en tijd was het aller schaarste goed.” Ze ging achterover zitten en liet haar gedachten afdwalen naar vroeger. “Wanneer je een bekende tegenkwam en vroeg hoe het ging, was het antwoord vaak “druk, druk, druk” of “moe” omdat ze het zo druk hadden. Wij waren een gehaast volkje. Er waren allerlei dingen bedacht zodat we alles nog sneller konden doen en we nog meer konden doen op een dag. Mijn opa, jouw over-overgroot opa, smeerde altijd brood met plakken kaas (kaas zelf schaven duurde te lang) om achter het stuur van de auto op te eten, onderweg van de ene naar de andere afspraak. En dan was hij nog één van weinigen die überhaupt nog de tijd nam om iets te eten mee te nemen. Er waren er velen die dat nog te veel werk vonden en wie onderweg een kant-en-klare maaltijd haalden om uit de hand op te eten.” “Wat betekent kant-en-klaar?” Vroeg ik. “Dat betekende dat je een bakje kocht waar een hele maaltijd in zat die iemand anders klaar gemaakt had en je zo op kon eten.” “Wij krijgen altijd kant-en-klare soep van de buurvrouw! Die is heel lekker, vooral als ze een beetje van onze lavas gebruikt heeft.” Oma keek me met een tedere glimlach aan. “De soep van de buurvrouw is met liefde door haar gemaakt, met ingrediënten die ze zelf heeft verzameld van planten die ze heeft zien groeien en de namen van kent. De kant-en-klare maaltijden van vroeger werden in fabrieken gemaakt, van voedsel dat met machines werd gezaaid, besproeid en geoogst. Er zaten vaak zelfs ingrediënten in die helemaal niet uit de aarde kwamen, die door slimme scheikundigen bedacht waren en helemaal in de fabriek werden gemaakt. Je wist eigenlijk nooit wat er precies in zo’n maaltijd zat.” Ik vond het maar gek klinken. “Was dat lekker?” Om haalde haar schouders op. “We waren het gewend.” Even zit ze stil, in gedachte verzonken. Ik weet inmiddels dat ik dan even moet wachten en ze vanzelf verder gaat. “Het was soms wel makkelijk, maar toch was het geen fijne tijd.” Vervolgt ze. “Dat gehaaste gevoel, het idee dat je altijd tijd te kort komt, was helemaal niet fijn. Het voelde alsof je altijd achter de feiten aanliep. Er was altijd meer werk te doen dan je aan kon. Je kon nooit zoveel aandacht geven aan de mensen om je heen als je zou willen. Eigenlijk voelde je je altijd tekort schieten.” Ze schudde haar hoofd. “Sommige dingen zijn ook helemaal niet bedoeld om efficiënt te doen.” Ik keek haar niet-begrijpend aan. “Liefde en verwondering kosten tijd mijn jongen, maar zonder kan je ziel niet zingen.”

